Ga direct naar


De schifting van het eindtijdproces

Israël als katalysator

Nog voordat de ware toedracht van het door Israël op zee onderschepte ‘hulpconvooi’ bekend was, had de hele wereld de Joodse staat al in de beklaagdenbank gezet. Waar was die wereldwijde verontwaardiging toen een Noord-Koreaanse torpedo een Zuid-Koreaans marineschip met 46 opvarenden naar de zeebodem liet verdwijnen? Als het om Israël gaat, blijken feiten nauwelijks relevant, want Joden zijn op voorhand schuldig. Zelfs het meest onloochenbare historische feit van de Holocaust wordt in de Islamitisch Arabische wereld alsmede in extreem rechtse kringen ontkend, dan wel als Joods complot geïnterpreteerd. De leugen, of beter gezegd, ‘de vader der leugen’ regeert om straks door middel van ‘de mens der wetteloosheid’ zijn terreurbewind op aarde te vestigen. De openbaring van Gods toekomstig oordeel heeft dan ook alles te maken met de bewuste keuze van de mens om de waarheid in ongerechtigheid ten onder te houden (Rom. 1:18).

Een terugkerend mechanisme

Als we de grote lijnen van de wereldontwikkelingen in de Bijbel volgen, herkennen we een steeds terugkerend mechanisme. De mens maakt de maat van zijn zonden vol, om vervolgens het oordeel van God over zich heen te krijgen. Denk aan de dagen van Noach, toen de aarde ‘vol was van geweldenarij en al wat leeft, zijn weg op aarde had verdorven’ (Gen. 6:11,12). Of de torenbouw van Babel, waarin de mens opnieuw de maat van zijn zonden had bereikt. Een angstwekkende factor die de HEERE daarbij noemt, was: “nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn” (Gen. 11:6). Diezelfde factor speelt ook in onze tijd een grote rol. Niets van wat de mens in zijn haat tegen God en Zijn volk denkt te doen, zal voor hem technisch onmogelijk zijn. Denk aan het enorme potentieel van atoom-, biologische en chemische wapens, die met vernuftige geleidingssystemen Israëls voortbestaan ernstig bedreigen. Maar ook hier zien we het op het hoofd van de vijand terugkomen. Want God maakt Jeruzalem tot een schaal der bedwelming en tot een steen die alle natiën moeten heffen en die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden (Zach. 12:3).

De landsbelofte

In dit verband is het goed om stil te staan bij de landsbelofte die God aan Abraham en zijn nageslacht gaf. Deze belofte staat onwrikbaar: “Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven” (Gen. 12:7). Alleen is de vraag wanneer God deze belofte volledig vervult. Een vraag waar de mens moeilijk mee om kan gaan. Abraham en Sarai worstelden bijvoorbeeld met de belofte van een nageslacht. Niet de belofte zelf, maar het moment waarop deze in vervulling zou gaan, leidde tot verwarring. En dus kwam bij Sarai de overweging op: “Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden.” Met als gevolg: “En Abram hoorde naar de stem van Sarai” (Gen. 16:2). Tragischerwijs is het huidige Midden-Oostenconflict voor een deel op dit menselijk ongeduld terug te voeren. De Arabische volken die immers uit Ismaël zijn voortgekomen, claimen op grond van de Koran het erfgenaamschap op Gods beloften aan Abraham. Ismaël, zo redeneert men, was toch de oudste zoon. Volgens de Islam is de Bijbel in z'n huidige vorm dan ook niet authentiek, maar door Joden vervalst om ‘aan te tonen’ dat zij het uitverkoren volk zijn en Palestina hen toebehoort. Maar Abram moest niet alleen wachten op de vervulling van de zoonbelofte, ook de landsbelofte zou pas op Gods tijd worden ingelost. We lezen in Genesis 15:13-16:
“Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Doch Ik zal het volk ook richten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. …. En het vierde geslacht zal hierheen weerkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen”. 

Behalve dat de profetie ziet op 400 jaar Egyptische verdrukking en de daaropvolgende verlossing van Israël, wachtte de toe-eigening van het beloofde land, op het moment dat de Kanaänitische volken de maat van hun zonden hadden vol gemaakt. Ook Mozes refereerde aan dit principe toen hij zei: “Niet wegens uw gerechtigheid noch wegens de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land in bezit nemen, maar wegens hun goddeloosheid drijft de HERE, uw God, deze volken voor u weg en om het woord gestand te doen, dat de HERE uw vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft” (Deut. 9:5)NBG. “Het land toch werd verontreinigd en Ik vergold daaraan zijn ongerechtigheid, zodat het land zijn inwoners uitspuwde. Gij echter zult Mijn inzettingen en Mijn verordeningen in acht nemen en geen van deze gruwelen doen, noch de geboren Israëliet, noch de vreemdeling die in uw midden vertoeft - want al deze gruwelen deden de lieden van het land, die vóór u waren, zodat het land onrein werd - opdat het land u niet uitspuwe, wanneer gij het verontreinigt, zoals het uitgespuwd heeft het volk, dat vóór u was” (Lev. 18:25-28, zie ook Lev. 20:22)NBG .

De landsbelofte nu

De vervulling van de landsbelofte wacht deels opnieuw op het moment dat de volken de maat van hun zonden hebben vol gemaakt. In dat proces, zo zagen we reeds, werkt Israël als een soort katalysator. De disproportionele aandacht van de wereld voor het Israëlisch-Palestijns conflict en de selectieve verontwaardiging over alles wat Israël doet, zal de volken straks in blinde haat naar Jeruzalem doen optrekken. Openbaring omschrijft dat moment als een oogst die rijp is voor het slaan van de sikkel.

“En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk iemand gezeten als eens mensen zoon met een gouden kroon op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand. En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tot Hem, die op de wolk gezeten was: Zend uw sikkel uit en maai, want de ure om te maaien is gekomen, want de oogst der aarde is geheel rijp geworden.” 

“En de engel wierp zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijngaard der aarde en wierp het in de grote persbak van de gramschap Gods. En de persbak werd getreden buiten de stad, en er kwam bloed uit de persbak tot aan de tomen der paarden, zestienhonderd stadiën ver” (Opb. 14:14,15; 19,20)NBG.

‘De persbak buiten de stad (Jeruzalem)’ lijkt een aanwijzing voor het dal van Josafat, waar straks de volken zullen worden geoordeeld. We lezen in Jozua 3 vergelijkbare woorden:
“Laat de volken opstaan en oprukken naar het dal van Josafat, want daar zal Ik zitten om alle volken van rondom te richten. Slaat de sikkel erin, want de oogst is rijp. Komt, treedt, want de perskuip is vol; de wijnbakken stromen over. Want hun boosheid is groot” (Joël 3:12,13) NBG.

Criteria waarlangs God de volken oordeelt, zijn hun houding ten opzichte van Zijn oogappel Israël en hun houding ten opzichte van het heilige land. Leest u maar: “Ik zal aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van Mijn volk en van Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij Mijn land verdeelden, en over Mijn volk het lot wierpen, en een jongen gaven voor een hoer en een meisje verkochten voor wijn, opdat zij konden drinken” (Joel 3:2,3) NBG.
Deze en andere profetieën laten zien dat het land Israël nog door de wereldmachten verdeeld zal worden en het volk verstrooid. Zo meldt Zacharia 14 dat de helft van de bewoners van Jeruzalem in ballingschap zal wegtrekken. Daniël 11 spreekt over invallen in het Sierraadland (een aanduiding voor Israël) door de wreedste koning die de wereld ooit heeft voortgebracht, door Paulus aangeduid als de mens der wetteloosheid, de zoon des verderfs, de tegenstander (2 Thes. 2). Heel opvallend is echter dat bij de bezetting van het ‘Sierraadland’, Edom en Moab niet zijn inbegrepen (Dan. 11:41). Het is het gebied van het Jordaanse Petra, dat mogelijk een vluchtgebied is voor een deel van het volk dat daar de 3,5 jaar van grote verdrukking door de Heere beschermd en onderhouden zal worden (zie Opb. 12).
Het zal vooral in deze fase van de wereldgeschiedenis zijn dat de woorden van Johannes opgang doen: “Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde”. Dat geheiligden zich onderscheiden van de rest van de mensheid, doordat ‘zij zich niet met vrouwen hebben bevlekt’ (Opb. 14:4), bewijst hoe seksuele verdorvenheid in die tijd een climax zal bereiken, waaraan ook Jeruzalem op gruwelijke wijze ten prooi zal vallen: “de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden” (Zach. 14:2).

De profetie vervuld

Maar dan zal ook de zeventigste en moeilijkste jaarweek van Daniël 9 haar einde naderen en de profetie zijn volle vervulling ingaan: “Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad (Jeruzalem), om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven”. Wat kunnen we naar die eeuwige gerechtigheid op aarde verlangen! Tot die tijd geldt ook voor ons: “een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is” (1 Joh. 3:3-4). En natuurlijk de vraag: Waar staan wij ten opzichte van Israël? Want de schifting van het eindtijdproces zal ook aan ons niet voorbijgaan!




Snelkoppelingen naar websites