Ga direct naar


De gevaarlijkste missionarissen in Israël

Download PDF

Kunnen jullie iets over jullie achtergrond vertellen?
Ruth: De Joodse voorouders van mijn moeder kwamen in 1830 vanuit Rusland naar Engeland. Het waren heel arme mensen, die daar een nieuw bestaan wilden opbouwen. Mijn moeder trouwde met Sidney Martin, een Engelsman, die weinig thuis was en op mijn 16de helemaal uit ons leven verdween. Hoe moeder het klaarspeelde om rond te komen, was voor mij een raadsel. Tijdens de Duitse bombardementen op Londen moest ik als vierjarige evacueren. Dat was een traumatische ervaring. Ook begreep ik niet waarom de mensen in Engeland zo'n hekel hadden aan Joden, en de kinderen mij nariepen dat ik "de Heere had gekruisigd"!

Albert: Mijn voorgeschiedenis lig in Irak. Mijn vader trouwde daar met een Egyptische Jodin. Na hun huwelijk gingen zij naar Japan om te exporteren. Ik ben in 1933 in Kobe geboren. Vlak voor het uitbreken van de oorlog, werd vader gewaarschuwd dat hij het land snel moest verlaten. Tijdens de oorlogsjaren woonden we in India. Vader stuurde mij en mijn broer naar een kostschool in Zwitserland. Toen ons gezin in 1947 op doorreis was in Basra, werden wij door de Iraakse regering gedetineerd, omdat mijn vader een (Iraakse) Jood was. Zonder dat wij het wisten werd er toen door zendelingen voor ons gebeden en wij werden vrijgelaten.

Hoe zijn jullie tot het geloof in de Messias Jezus gekomen?
Ruth: Toen ik geëvacueerd was, hoorde ik voor het eerst over Jezus, en dat Hij ook een Jood was. Ik leerde als klein kind op school geestelijke liederen en die gaven mij in mijn miserabele situatie heel veel steun en troost. Tegen een dominee zei ik eens: "Ik ben Joods en ik geloof in Jezus". Toen mijn moeder dat hoorde, heeft ze mij en de andere kinderen laten dopen. Vanaf toen waren Israël, Jezus en ikzelf onverbrekelijk met elkaar verbonden.


Albert: Mijn broer en ik gingen in Engeland studeren en op een dag vertelde mijn broer mij dat hij christen was geworden. Ik vond dat verschrikkelijk en begon bijbelstudie te doen om mijn hem te laten zien dat hij een grote fout maakte. Ik las Jesaja 53 en Psalm 22 en zag dat dit nauwkeurige profetische beschrijvingen waren van wat er met Jezus was gebeurd. Na een worsteling van 9 maanden met Gods Woord doorzag ik wat het nieuwe verbond uit Jeremia 31 inhield en werd ik overtuigd van mijn zonden en vond zo in 1956 de Here Jezus.

Hoe ontmoetten jullie elkaar?
Albert: Ik kwam in contact met de"Hebrew Christian Testimony to Israel", (HCTI) waarvan David Baron de stichter was. Inmiddels was Ruth als vroedvrouw in contact gekomen met een christelijke collega die haar ook naar de HCTI bracht. Op een avond dat Albert daar een toespraak hield, ontmoetten we elkaar voor het eerst. Ruth ging eerst nog 2 jaar naar een bijbelschool in Zwitserland. Na haar terugkeer ging ze ook voor de HCTI werken. We trouwden in 1965 en gingen op het hoofdkwartier wonen.

Op het hoofdkwartier van HCTI hebben jullie de dames De Kock en Goedhart ontmoet?
Albert: Ja, zij hadden kamers op de 1e etage en wij woonden op de bovenste etage. Wij deelden traktaatjes uit, deden bijbelstudie voor de Joodse mensen hier en zij verspreidden Bijbels. Tjonge, wat waren ze netjes: ze streken niet alleen hun kleren maar zelfs de lakens! Wij hebben hen heel goed leren kennen en waarderen. Ze hebben ons later ook verschillende keren hier in Nahariya bezocht, en zo zijn wij dus in contact met Israël en de Bijbel gekomen.

Hoe zijn jullie vanuit Engeland in Israël gekomen?
Ruth: De HCTI vroeg ons naar Rome te gaan om daar onder Joden te gaan werken. Maar daar werd de innerlijke overtuiging steeds sterker, dat God ons in Israël wilde hebben. In februari 1971 zijn we, zonder geld, organisatie en hulp, met 3 kleine kinderen naar ons eigen land geëmigreerd.

Hoe was de eerste tijd in Israel?
Ruth: De eerste 9 maanden verbleven wij in Haifa, waar we onderdak kregen bij Rooms-katholieke Arabische nonnen! In 1972 moesten we verhuizen naar Nahariya. Hier leerden wij 4 andere gelovigen kennen met wie wij zo voorzichtig mogelijk contact onderhielden en samen baden. Die voorzichtigheid veroorzaakte bij ons wel een conflict. Wij waren immers niet in Israël gekomen om geheime gelovigen te zijn, maar juist om van Jezus te getuigen. Toch hadden wij een bovennatuurlijke angst voor openheid!

Wat bedoel je daar precies mee?
Ruth: De eerste discipelen verborgen zich ‘uit vrees voor de Joden' (Joh. 20:19). Dezelfde vrees voelden wij ook, en die is zo krachtig dat veel Joodse gelovigen daardoor tot zwijgen zijn gebracht. De Joden zijn bang om uit hun gemeenschap te worden gestoten als ze gelovig worden; de gelovigen zijn bang om verworpen te worden. Dat is een verlammende, haast demonische angst. Hier werd ook druk op mij uitgeoefend om te zwijgen. Ik werkte als verpleegkundige in het ziekenhuis en gaf al snel Bijbels in alle mogelijke talen aan collega's. Het afdelingshoofd had mijn getuigenis gehoord, en zei: "Je mag blijven werken, maar dan moet je je getuigenis voor je houden". Ik moest later ook bij de hoofdrabbijn komen, die mij ervan beschuldigde dat ik in het christendom geloofde. "Nee", zei ik toen, "maar wel in Jezus, de Messias". De rabbijn: "Dat is christendom!" Ik antwoordde: "Nee, rabbijn, dat is Judaïsme, echt Judaïsme!". De rabbijn probeerde mij te laten ontslaan, maar daardoor werd de zaak bekend. Collega's en anderen protesteerden zo heftig, dat het ontslag weer ongedaan werd gemaakt.

Is het sindsdien minder moeilijk geworden?
Ruth: Op een dag verscheen er in onze krant een artikel over de veertien gevaarlijkste missionarissen in Israël. Wij stonden op nummer 7 en 8. Wij werden genoemd met adres en telefoonnummer. Via de telefoon werden we met de dood bedreigd, maar dankzij het artikel begonnen de buren en anderen nieuwsgierig te worden naar wat wij geloofden. Zo werd het omgekeerde bereikt.

Welke boodschap hebben jullie voor de Nederlandse christenen?
Albert: De tijd is kort en de verdrukking komt; dat wij bekwaam gemaakt worden om het geloof uit te leggen aan de juiste mensen.

Ruth: Bid voor ons, dat wij onder druk de goede dingen zullen doen en dat God meer van Zijn Geest zal geven onder de gelovigen en ongelovigen.

 




Snelkoppelingen naar websites