door Harry Honigh
Hoewel het bij velen aan de aandacht ontsnapt is, was het misschien wel een van de meest schokkende en belangrijke gebeurtenissen in de afgelopen tien jaar binnen Evangelisch Nederland: De openlijke verklaring van enkele evangelische coryfeeën dat zij niet meer geloven in een schepping in zes dagen van 24 uur.
Op 3 februari jl. verklaarden Willem Ouweneel en Andries Knevel, in het tv-programma ‘'t Zal je maar gebeuren' van de Evangelische Omroep, dat zij niet meer geloven in de schepping in zes normale dagen (van 24 uur), maar in de evolutie met God als Schepper daarachter. Zij scharen zich daarmee onder de ‘theïstische evolutionisten'. Hoewel het mij niet verbaasde, was die openlijke verklaring toch wel schokkend. Ik heb mij afgevraagd wat er van de Bijbel overblijft als wij geloven dat de zes dagen van Genesis 1 zich over een periode van miljoenen of miljarden jaren heeft uitgestrekt. Ik heb geprobeerd mij in te leven in een christen, die gelooft dat wij van de apen afstammen. Misschien kan een ‘theïstisch evolutionist' mij daarmee helpen, want ik kom er niet uit. Hierbij een paar vragen:
1. Hij schiep door Zijn Woord
De Heere God heeft door het Woord (de Heere Jezus) de aarde en hemel geschapen. De Bijbel zegt eenvoudig: "De ganse aarde vreze voor de HERE, al de bewoners der wereld moeten voor Hem ontzag hebben. Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er" (Ps. 33:8-9). Sprak Hij dan vele malen tijdens een miljoenen jaren durend proces? Gaf Hij steeds kleine aanwijzingen welke kant het evolutieproces op moest gaan? Maar dan sprak Hij heel andere woorden dan in mijn Bijbel staan opgetekend. En wie moet er ontzag hebben gehad? Er was tijdens het grootste deel van dat ‘proces' immers nog geen mens op aarde?
2. Dag en nacht (Gen. 1:3-5 en 14-19)
Als ik deze verzen lees, zie ik dat God het licht ‘dag' noemde en de duisternis ‘nacht'. Hijzelf is het licht. Met Zijn licht verdreef Hij de duisternis. Hij koppelde de dag aan het licht en de duisternis aan de nacht. Hijzelf geeft hier de definities van: dag (licht), nacht (duisternis), avond (eind van de dag) en morgen (eind van de nacht). In de verzen 14-19 wordt de definitie van dag en nacht nog eens uitgebreid. De zon schijnt overdag en de maan en de sterren 's nachts. Het was voor mij altijd klare taal.
Maar in het door u voorgestelde evolutieproces is die koppeling tussen de dag en het licht, respectievelijk de nacht en de duisternis zinloos. En wat wijzen de zon, de maan en de sterren in vers 14 in uw model voor perioden aan? Perioden van miljoenen jaren?
3. De sabbatdag
En wat moet ik met Exodus 20, waarin de Heere duidelijk Zijn motivatie voor de sabbat geeft: "Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HEERE de sabbatdag en heiligde die" (Exod. 20:8-11)?
De Here God heiligde bij de schepping de sabbatdag (Gen. 2:3). Waarom zou Hij hier in Exodus met het woord ‘sabbatdag' twee verschillende dingen bedoelen? De ene keer een letterlijke sabbatdag en meteen daarna een figuurlijke sabbatdag van miljoenen jaren? Terwijl een dergelijke figuurlijke sabbatdag nergens anders in de Bijbel voorkomt? Lijkt dit niet wat ver gezocht?
4. De eerste dag, de tweede dag enz.
Het Hebreeuwse woord ‘dag' (jom) kan inderdaad ‘periode' betekenen, zoals in de ‘Dag des HEEREN' (Joël 1:15). Maar met een telwoord ervóór ("eerste", "tweede", enz.) betekent het gewoon een dag van 24 uur. Hier in Genesis 1 staan er heel duidelijk telwoorden voor: ze zijn genummerd van de "eerste" tot en met "zevende" dag. Dat lijkt toch een duidelijke aanwijzing dat het om perioden van 24 uur gaat?
5. Hij zag dat het goed was (Gen. 1:24-25)
Tijdens het ‘proces' staat er zes keer dat God zag "dat het goed was" (vs. 4, 10, 12, 18, 21 en 25). De zevende keer staat er zelfs "zeer goed" (vs. 31).
Maar het mechanisme van evolutie is selectie van mutaties: gunstige mutaties overleven, ongunstige mutaties vallen af. Dat lijkt toch niet te rijmen met Gods zevenvoudige constatering dat het goed was. Was dat "goed" misschien bedoeld als "Hij zag dat de juiste mutaties allemaal stierven"?
De basis van evolutie is een wreed mechanisme: eliminatie van het zwakke en het overleven van de sterkste. Dezelfde wrede natuurwet zien we in de gevallen schepping om ons heen: het recht van de sterkste. Maar dit is niet wat God bedoeld heeft, niet wat Hij geschapen heeft en niet wat Hij hier in Genesis 1 "goed" genoemd heeft. Dit recht van de sterkste komt door de zondeval. Ik heb God juist leren kennen als Degene die zorgt voor het zwakke. Vertel mij: wat was dat toch wat God "goed" noemde tijdens dat zogenaamde evolutieproces?
6. Naar hun aard (Gen. 1:11-25)
Vijf keer staat er in de genoemde verzen dat God alle planten, bomen, zeedieren en landdieren schiep naar hun aard. Helaas zijn deze belangrijke toevoegingen in NBV verloren gegaan.
‘Naar hun aard' betekent ‘van niet voorkomende stam' en zouden we kunnen omschrijven als ‘unieke soort'. De uitdrukking "naar hun aard" wordt ook gebruikt voor de dieren die in de ark gingen, van elke soort een mannetje en een vrouwtje (Gen. 6:19-20).
Vertel mij toch hoe evolutie ervoor kan zorgen dat we overal in de natuur mannetjes en vrouwtjes vinden die samen zorgen voor nageslacht. Er zijn nauwelijks uitzonderingen te bedenken. Ook begrijp ik niet hoe al die schitterende variaties hebben kunnen ontstaan van diersoorten die zo precies voor hun doel gemaakt zijn. Hoe kunnen er gedurende miljoenen jaren zaadgevende gewassen en vruchtbomen groeien zonder dat ze bestoven worden door bijen en bemest door dieren? En waartoe moesten die gewassen er al zo lang zijn als er nog geen dieren en mensen waren om ervan te eten? Het zijn voor u misschien maar kleinigheden, maar ik kom er niet uit.
7. Adam en Eva als eerste mensen (Gen. 1:26-2:7)
De Bijbel leert dat Adam is geformeerd uit het stof der aarde en dat de Heere hem de levensadem heeft ingeblazen. Daarom zegt de Heere Jezus: "Maar van het begin der schepping heeft Hij hen als man en vrouw gemaakt" (Matt. 19:4; Mark. 10:6). Wat bedoelt de Heere hier met het begin der schepping? Iets anders dan wat er staat?
En Paulus zegt: "Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest" (1 Cor. 15:45). Paulus koppelt de mens door wie de zonde de wereld binnenkwam aan de Mens Die de verlossing bracht: de Heere Jezus Christus. Hij noemt Adam de eerste mens.
Mijn probleem is nu: wie was Adam, als hij geëvolueerd is uit aapachtige voorouders? Dan waren er al miljoenen aapachtige mensen vóór Adam. Dan was hij geboren uit mensachtige voorouders. Wat voor betekenis heeft het dan nog dat de Heere Adam de levensadem heeft ingeblazen, dat hij de eerste mens wordt genoemd?
En als die eerste Adam maar een stijlfiguur is die bij een bepaald genre hoort, wat is dan de laatste Adam? Is de Heere Jezus ook maar een stijlfiguur om ons duidelijk te maken dat God van mensen houdt? Paulus ging er kennelijk vanuit dat Adam net zo letterlijk geleefd heeft als de Heere Jezus.
Een volgend probleem ontstaat met het geslachtsregister van Jozef in Lukas 3, dat eindigt met: "... de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God" (Luk. 3:38). Als Adam aapachtige voorouders had, dan had de Heere Jezus die ook. Dat lijkt me toch een onacceptabele conclusie of zie ik dat verkeerd?
Ook schiep God de mens naar Zijn beeld, naar Zijn gelijkenis (Gen. 1:26). Hoe is dit te rijmen met een overgang van aap naar mens? In mijn optiek grenst dit aan blasfemie. Betekent ook dit vers niet heel eenvoudig dat Adam, op het Woord van de Heere, direct en compleet als beeld van God geschapen werd?
8. De rangvolgorde van Adam en Eva (Gen. 2:20-25)
We lezen in Genesis 2:18-25 dat Eva na Adam is geformeerd en wel uit een rib van Adam. Zij is de hulp die bij hem past. In de scheppingsvolgorde van Adam en Eva ligt een rangorde opgesloten, waar Paulus op teruggrijpt:
"Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God" (1 Kor. 11:8-12) NBG en: "Want eerst is Adam gemaakt, daarna Eva" (1 Tim. 2:13).
Paulus spreekt hier duidelijk over de positie van de man ten opzichte van de vrouw in het algemeen. De man was er dus eerder dan de vrouw. Maar als Adam het product van evolutie is geweest, is hij geboren uit een vrouwelijk ‘wezen'. Wat blijft er dan over van Paulus' stelling dat de man er was vóór de vrouw? Wat voor grond heeft de rangorde van man en vrouw, als zij beide door een proces van miljoenen jaren zijn ontstaan en vele voorouders hadden? Paulus' conclusie slaat dan nergens meer op.
9. De zonde en dood (Gen. 3:1-6)
We naderen nu mijn grootste probleem. Volgens Genesis 1-3 waren Adam en Eva niet alleen de eerste mensen, maar ook de eersten die zondigden. Met Adam en Eva kwam de zonde en de dood de mensheid binnen (Gen. 2:17; 3:3). Dit gegeven wordt op diverse plaatsen bevestigd:
"Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over hen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid van de overtreding van Adam, die een voorbeeld is van Hem, Die komen zou" (Rom. 5:14).
"Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden (1 Kor. 15:22).
"Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakende Geest" (1 Kor. 15:45).
De Bijbel zegt dat de dood zijn intrede deed na de zondeval van Adam en Eva. De dood wordt in Genesis 3 duidelijk beschreven als de straf op de zonde. Dat is ook de basis voor heel het verlossingswerk van de Heere Jezus. Daarom moest Hij sterven. Maar hét mechanisme van de evolutie is natuurlijke selectie door de dood. De aanwezigheid van de dood is dus onmisbaar voor dit proces. In het evolutiedenken moet de dood er al miljoenen jaren voor Adam zijn geweest. Maar die zogenaamde voorouders van Adam hadden toch niet gezondigd, zij toch waren slechts apen? En als zij wel gezondigd hadden, wat betekenen bovenstaande uitspraken van Paulus dan nog?
10. Waar stopt dit ‘verhaal'?
Ten slotte nog een paar kleine vragen: waar stopt de allegorische uitleg van Genesis 1?
Als Adam en Eva allegorische figuren waren, wat moet ik dan met: de hof van Eden, de boom der kennis en de boom des levens, de zondeval en haar gevolgen, de belofte van het Zaad, de vele geslachtsregisters met hun exacte jaartallen (Gen. 5 ev.) en met de zondvloed enz.? Om nog maar niet te spreken van het kruis, de opstanding, de wederkomst, de vergeving van zonden, de zekerheid van behoud, enz.
Dit allegorisch lezen van de zes scheppingsdagen doet mij sterk denken aan het allegorisch lezen van de profetieën. Ook die zouden volgens sommigen niet letterlijk bedoeld zijn, maar symbolisch. Met die stelling raakte men vervolgens verstrikt in een web van willekeurige uitleg die tot op de dag van vandaag het profetische Woord en het zicht op Israël hebben verduisterd. Dat symbolisch lezen van de profetieën leidde vervolgens tot de vervangingstheologie en mede tot de eeuwenlange vervolging van de Joden. Dat symbolisch lezen van de Bijbel is afkomstig van de kerkvader Origenes van Alexandrië (185-254 n. Chr.), die probeerde de Bijbelse waarheid in overeenstemming te brengen met het Griekse denken. Theïstische evolutionisten doen hetzelfde met het zogenaamd wetenschappelijke denken. Maar zij moeten daarbij wel oppassen dat ze, door dit compromis met de wijsheid van de wereld, zich niet schuldig maken aan de zonde van de wereld, die Paulus beschrijft in de Romeinenbrief:
"Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit Zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren" (Rom. 1:20-23) NBG.